Koersfanaat | Bergritten

Je team hoeft niet eens supersterk te zijn om resultaten te halen. Een goede klimmer (79 KL min als je voor winst wil gaan, mag minder ook als je met ereplaatsen tevreden bent), een goede meesterknecht (76 KL), een back-up (75 KL) en een waterdrager (70-74 KL) is het enige dat je nodig hebt om een bergrit te winnen. De andere zes renners laat je maar gewoon uitbollen of kan je ook voor bevoorrading gebruiken. Indien je de topfavoriet bent, zijn het deze zes die de achtervolging zullen leiden.

Voor de rit: Je laat je back-up (75) de goede klimmer beschermen, terwijl je met een van je zes 'restrenners' je goede meesterknecht (76) uit de wind zet. De waterdrager (70-74) laat je maar aan zijn lot over, maar deze kan je ook beschermen als je het echt volledig professioneel wil spelen. 

Tijdens de rit: Hier delen we ritten op in 2 categorieën. 
1) Het soort ritten waarbij er enkel een stevige slotklim is en onderweg geen ander hooggebergte.

Bijvoorbeeld dit soort profielen (een rit naar Risoul in de Dauphiné Libéré 2010) :

 

De opdracht is heel simpel: bescherm de kopman tot aan de voet van de slotklim met een hardrijder (of gewoon een willekeurig iemand indien je geen hardrijder in je team hebt). Zorg wel dat je op tijd (10km ten laatste voor de voet) je back-up laat veranderen door je goede meesterknecht. Je goede meesterknecht moet dus de topklimmer beschermen wanneer we de slotklim opdraaien. Wees zeker dat je bij de eerste tien renners de klim opdraait. Opschuiven in de laatste kilometers voor de klim kan via bolletje (75-80 moet voldoende zijn, ga niet hoger dan 80). 


2) Hier spreken we over het volgend soort ritten (een rit naar de Alpe-D'Huez in de Tour 2011) : 

De eerste klimmen, indien niet zo zwaar en lang moet het mogelijk zijn met je back-up de topklimmer te beschermen. Dat je goede meesterknecht geïsoleerd komt te zitten omdat de andere zes renners niet meekunnen en je waterdrager naar de finale toe gelost is, vormt geen probleem meer. Bevoorraden doe je toch pas net voor de voet van de laatste klim met je back-up, en anders in de afdaling van de voorlaatste klim met je goede meesterknecht indien je back-up ook al gelost is. Zit je alleen met je topklimmer, bevoorraad dan altijd in een lange afdaling. 
Zorg ervoor dat de goede meesterknecht aan de voet van de slotklim wel zeker jouw topklimmer beschermt (zet de inspanningsbalk maar op 99 bij hem) en dat je drinken genoeg hebt. Indien favorieten al voor deze klim zijn vertrokken, hangt het af van rit tot rit of je mee moet gaan of niet. (in extreem zware ritten zoals de 2011-versie naar de Zoncolan moet je best mee als een Basso of Nibali gaat). Dat laatste leer je gewoon uit ervaring en daar kan niemand bij helpen.

De slotklim: Draai goed vooraan de klim op. Buiten de eerste twintig is te ver! Vanaf het percentage van de klim boven de 6% gaat (en jouw hartslag dus boven de 170 gaat), rijd je op het bolletje. Daar ga je niet meer vanaf. Meestal zal het percentage wel direct naar 6% gaan, maar indien niet, kan je nog 'Positie behouden' indien het tempo niet te hoog ligt. Speel met het percentage om bij de eerste vijf à tien te blijven hangen. Het kan zijn dat je meesterknecht opeens niet meer zo 'goed' is en erdoor zakt. Geen erg, zijn job is gedaan als je de eerste twee kilometer bent doorgekomen. Zet hem op 'Positie behouden, inspanning 50' en laat hem uitbollen. 

Je gaat niet op kop tot de laatste zeven, zes kilometer. Meestal zorgt bolletje, inspanning 80, ervoor dat je goed meeklimt met de beteren en in de favorietengroep kan blijven, zonder op kop te komen en nodeloos energie te verspillen. Onthou: op kop rijden kost meer energie dan in het wiel, ook bergop! Wat heel vaak is, is dat de eerste groten (genre Contador en Andy Schleck) aanvallen op vijf of zes kilometer van de streep. Ga niet mee! Heel vaak vallen zij toch nog terug. Je rijdt gewoon je eigen tempo (80, max 83) naar boven. Omdat de favorietengroep altijd stilvalt als er een grote naam demarreert, neem je sowieso de leiding op dit tempo. Ideaal, daar willen we zitten. We rijden nu gewoon door naar omhoog (op kop), tot de laatste twee kilometer. Als je klimmer niet Contador of Schleck is, blijft de rest in je wiel. Geen nood, ze zijn waarschijnlijk bijna dood (zeker op Moeilijk). Ben jij wel de beste, dan is de kans heel groot dat je zelfs gewoon wegrijdt en de rit geklonken is.

De zone van de waarheid: Op twee kilometer kan je ervoor kiezen om te versnellen. Sowieso zet je dan de inspanningsmeter op 99. Kijk ook naar het parcours! Zit er een minder steil stuk aan te komen of komt er net een muur? Op een zeer steil stuk versnellen is zinloos, je gooit alles weg dan wat je had opgebouwd. Tijdwinst boek je amper. Op een zeer steil stuk (boven 10%) blijf je altijd bolletje rijden. Komt er (bv. bij de Angliru) de laatste kilometer of twee een minder steil stuk (5, 6% of lager), wie weet een afdaling, dan versnel je daar. 
Omdat jouw renner dan de snelheid van dat makkelijk stuk zal aanhouden en de rest - zoals PCM het altijd doet - opeens bijna stilstaat bij de eerste klimmende meters, zal je heel snel een gat slaan. Zo kan je snel een mooie kloof opbouwen. Tijdens je aanval neem je ook je energiegel in, die dan zal werken in de laatste kilometer. Je laat je renner gewoon helemaal 'leeg' demarreren (sommigen kiezen er voor nog ietsje over te houden, een persoonlijke keuze) en gaat dan op bolletje, inspanning 99 doorstomen naar de meet. Dit moet altijd een goed resultaat geven.

Tip van de dag: val aan in een bocht. Bochten zijn vaak in PCM minder steil dan in het echte leven, waardoor je weer met die extra snelheid kan profiteren.